Nicotine, beter dan vitamine (Winnaar Van Melsen Prijs 2001)



Leerlingen: Lotte van Dijk, Marleen Schutter, Justine Moonen en Linda Rijnen
Docent: Hr. de Vries
School: Sint Odulphus Lyceum, Tilburg

INLEIDING

Een artikel in "Elsevier" vormde de aanleiding voor dit onderzoek. Het artikel beschreef het positief effect van nicotine op het concentratievermogen van patiënten die lijden aan Gilles de la Tourette, Parkinson, ADHD, Alzheimer en zelfs Aids. De meerderheid van deze patiënten rookt. De auteur van het artikel beschouwt dat als zelfmedicatie. Dit werpt de vraag op of dit verhoogd concentratievermogen ook geldt voor mensen die niet lijden aan een ziekte.

VRAAGSTELLING EN HYPOTHESE

De vraagstelling luidt: Heeft nicotine een positief of een negatief effect op het concentratievermogen van de mens? Naar aanleiding van het artikel in "Elsevier" luidt de hypothese: Nicotine heeft een gunstig effect op het concentratievermogen.

THEORIE

Kenneth Lloyd van het Scripps Research Institute uit Californië, gaf ratten parkinsonachtige beschadigingen aan de zenuwen. De ratten kregen vervolgens nicotine toegediend waardoor hun gedrag aanzienlijk verbeterde. Bij ontleding werd geconstateerd dat de er nieuwe zenuwen waren gegroeid. Onderzoeker Lloyd concludeerde dat nicotine ook op DNA-niveau werkt. Het zet de genen aan die een zenuwgroeifactor (NFG = neural growth factor) aanmaken. Na een nicotine injectie steeg het NFG-gehalte in het bloed van de ratten.
Daarnaast is bij mensen aangetoond dat nicotine de activiteit in de hersenen verhoogt. Nicotine heeft een gelijke werking als de neurotransmitter acetylcholine. Onder invloed van nicotine vindt er in de hersenen een verhoogde impulsoverdracht plaats.

MATERIAAL EN METHODE

Om de concentratie te meten zijn zelfgemaakte concentratietests gebruikt. Een test bestaat uit een vel cijfers, waarbij de proefpersonen de 6 moeten aanstrepen als deze gevolgd wordt door een 4. Een testvel bestaat uit 50 regels met cijfers waarin totaal 105 keer het getal 64 in voorkwam. Een klein stukje test is hier afgebeeld. Voor het gemak van de lezer is in dit voorbeeld 64 vet weergegeven, in de werkelijke test was dit natuurlijk niet het geval.

875785788642784305823754956082959837859683739507064838858102947562878972018398590858908094144141453412382648674534874424576344876
645312586764354234567867545345786787445435467687456475787841121245799622589874222589855189787517878544876548741311685789781331428
798541318487875641125489897763148559941251357111336546512132843138136435163548343548412121346854351684312684311543544355464155465

Er zijn twee verschillende tests gebruikt, om gewenning van een test te voorkomen. De tests zijn beoordeeld op: het aantal ingevulde regels, het aantal fouten en de gebruikte tijd. Daar komt een ratio uit van regel/fout/minuut, hoe hoger deze ratio, hoe groter het concentratievermogen.


Invullen van de tests is een geconcentreerd werkje

Er zijn drie deelonderzoeken uitgevoerd om de effecten van nicotine op de concentratie te testen:
  1. In deelonderzoek 1 voeren rokers de concentratietest uit, roken dan een week niet en voeren opnieuw een concentratietest uit.
  2. In deelonderzoek 2 wordt een sigaret gerookt net voor het uitvoeren van de test en wordt de tweede test uitgevoerd na een ochtend niet roken.
  3. Voor deelonderzoek 3 zijn niet-rokers gebruikt. Een proefpersoon kreeg een kauwgum (nicotine of gewoon) en maakte meteen daarna de test, een week later kreeg de proefpersoon de andere kauwgum en maakte opnieuw een test. Altijd één test zonder nicotine en één test met nicotine.

RESULTATEN

Deelonderzoek 1

Roken is een verslaving, dat bleek toen maar 3 personen bereid waren om aan deze test mee te doen. Het resultaat uit dit deelonderzoek is statistisch niet verantwoord en geeft alleen een indicatie in een bepaalde richting. De ratio’s die de drie proefpersonen hebben gescoord zijn gemiddeld.


Gemiddelde concentratievermogen deelonderzoek 1 met nicotine (0,61) en zonder nicotine (1,09) in fouten/regels/minuten

Deelonderzoek 2

Aan deelonderzoek 2 hebben 15 personen deelgenomen. Dit maakt de resultaten van dit onderzoek betrouwbaarder. Ook hier zijn de gemiddelde ratio’s grafisch weergegeven.


Gemiddelde concentratievermogen deelonderzoek 2 met nicotine (0,61) en zonder nicotine (1,09) in fouten/regels/minuten

Deelonderzoek 3

Aan deelonderzoek 3 hebben 19 personen deelgenomen. Dit maakt de resultaten van dit onderzoek betrouwbaar. De gemiddelde ratio’s zijn grafisch weergegeven.


Gemiddelde concentratievermogen deelonderzoek 3 met nicotine (0,87) en zonder nicotine (1,08) in fouten/regels/minuten

CONCLUSIE

Alle drie de deelonderzoeken wijzen in dezelfde richting, namelijk dat nicotine een negatief effect heeft op het concentratievermogen van gezonde mensen. Dit is in tegenstelling tot de eerder geformuleerde hypothese naar aanleiding van de literatuur.

DISCUSSIE

Er kunnen enige kanttekeningen worden gemaakt bij de betrouwbaarheid van dit onderzoek.
  1. Bij de eerste twee deelonderzoeken is aangenomen dat het concentratievermogen van de testpersonen alleen afhing van de nicotine in de sigaretten. Andere stoffen in de sigaretten zijn niet geanalyseerd en er zou dus een mogelijkheid kunnen bestaan, dat andere stoffen in sigaretten ook invloed op het concentratievermogen hebben. Dit kan de betrouwbaarheid van de eerste twee deelonderzoeken negatief beïnvloeden.
  2. Bij het derde deelonderzoek is er een niet meegewogen neveneffect bij het kauwen van de nicotinekauwgom. Door deze kauwgom te kauwen, komt er wel nicotine vrij, maar sommige mensen kregen er ook een beetje een misselijk gevoel van. Hierdoor kan het effect van de nicotine tegengewerkt worden. In plaats van een beter concentratievermogen kunnen de mensen die een beetje misselijk zijn zich juist minder goed concentreren.
  3. Verder hangt het concentratievermogen van de verschillende personen niet alleen af van de nicotine die ze in het lichaam krijgen. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld stress, vermoeidheid, het humeur, vervelende of juiste fijne gebeurtenissen waaraan men denkt enz.

  4. Chocolade sigaretten en het artikel uit Elsevier

  5. Er is aangenomen, dat jongens en meisjes van 5VWO hetzelfde concentratievermogen hebben. Terwijl dit niet het geval hoeft te zijn. Concentratievermogen zou geslacht bepaald kunnen zijn.
  6. Over de testen die bij de onderzoeken gebruikt zijn is ook nog wat op aan te merken. Er zijn namelijk twee verschillende testen, al hoewel van dezelfde soort. Hierdoor zou het kunnen dat de mensen die dit soort tests voor de tweede keer maken hem altijd beter maken dan de eerste keer. Door de ervaring gaat de tweede test beter omdat de proefpersonen nu weten wat van hen verwacht wordt.
  7. Het is niet uit te sluiten dat de ene test per ongeluk toch makkelijker (of moeilijker) is dan de andere test.
  8. De testgroepen waren relatief klein en kwamen uit een gelijksoortig milieu (5 VWO-leerlingen). Het is niet zeker dat dit generaliseerbaar is naar de totale gezonde Nederlandse bevolking.
  9. Het is in Nederland verplicht proefpersonen exact te informeren over hem/haar te wachten staat en wat de bedoelingen van het onderzoek zijn. Voor deelonderzoek drie betekent dat de proefpersonen wisten wat voor type kauwgum zij kregen en dat het in de verwachting lag dat dit hun concentratievermogen ging beïnvloeden. Hoe het concentratievermogen werd beïnvloed wisten de proefpersonen niet. Echter van een echte blanco-proef is onder deze omstandigheden niet meer echt sprake.
  10. Bij de deelonderzoeken één en twee hebben de proefpersonen gedurende enige tijd niet gerookt. Hierdoor kunnen er ontwenningsverschijnselen optreden. Met dergelijke ontwenningsverschijnselen is geen rekening gehouden bij het nemen van de proeven.

Mogelijkheden voor vervolgonderzoek

Nu het onderzoek met gezonde mensen is uitgevoerd lijkt het interessant om een vergelijkbaar onderzoek uit te voeren met patiënten die lijden aan de ziektes uit het oorspronkelijke artikel; mensen met Gilles de la Tourette, Alzheimer, Parkinson, ADHD of Aids.
Ook is het interessant om leerlingen met een verschillende achtergrond te nemen zoals VMBO, MAVO en HAVO om te zien of daardoor ook verschillen ontstaan.